El Hacedor

Jorge Luis Borges

A LEOPOLD LUGONES

Los rumores de la plaza quedan atrás y entro en la Biblioteca. De una manera casi física siento la gravitación de los libros, el ámbito sereno de un orden, el tiempo disecado y conservado mágicamente. A izquierda y a derecha, absortos en su lúcido sueño, se perfilan los rostros momentáneos de los lectores, a la luz de las lámparas estudiosas, como en la hipálage de Milton. Recuerdoo haber recordado ya esa figura, en este lugar, y después aquel otro epíteto que también define por el contorno, el árido camello del Lunario, y después aquel hexámetro de la Eneida, que maneja y supera el mismo artificio:

Ibant obscure sola sub nocte per umbram.

Estas reflexiones me dejan en la puerta de su despacho. Entro; cambiamos unas cuantas convencionales y cordiales palabras y le doy este libro. Si no me engaño, usted no me malquería, Lugones, y le hubiera gustado que le gustara algún trabajo mío. Ello no ocurrió nunca, pero esta vez usted vuelve las páginas y lee con aprobación algún verso, acaso porque en él ha reconocido su propia voz, acaso porque la práctica deficiente le importa menos que la sana teoría.

En este punto se deshace mi sueño, como el agua en el agua. La vasta Biblioteca que me rodea está en la calle México, no en la calle Rodríguez Peña, y usted, Lugones, se mató a principios del treinta y ocho. MI vanidad y mi nostalgia han armado una escena imposible. Así sera (me digo) pero mañana yo también habré muerto y se confundirán nuestros tiempos y la cronología se perderá en un orbe de símbolos y de algún modo sera justo afirmar que yo le he traído este libro y que usted lo ha aceptado.

 

J.L. B.

Buenos Aires, 9 de agosto de 1960

Vertaling

DE MAKER

VOOR LEOPOLD LUGONES

De geluiden van het plein blijven achter en ik ga de Bibliotheek binnen. Bijna lijfelijk onderga ik de zwaartekracht van de boeken, de serene sfeer van een orde, de magisch ontlede en geconserveerde tijd. Links en rechts, verzonken in een heldere droom, tekenen zich de kortstondige profielen van de lezers af in het licht van de vlijtige lampen, als in de hypallage van Milton. Ik herinner me dat ik me dat beeld al eerder op deze plek heb herinnerd en vervolgens dat andere epitheton dat eveneens de omgeving definieert,de dorre kameel uit Lunario sentimental, en vervolgens die hexameter uit de Aeneïs, waarin dezelfde stijlfiguur wordt gebruikt en overtroffen:

Ibant obscuri sola sub nocte per umbram.

(Ze gingen donker in de eenzame nacht door de duisternis)

Al denkend ben ik bij de deur van uw kantoor gekomen. Ik ga naar binnen; wij wisselen enkele hartelijke beleefdheidsfrases en ik geef u dit boek. Als ik mij niet vergis, had u geen hekel aan me, Lugones, en had u graag iets van mijn hand mooi gevonden. Dat is nooit gebeurd, maar deze keer slaat u de bladzijden om en leest u een enkel vers met instemming, misschien omdat u daarin uw eigen stem hebt herkend, misschien omdat u de gebrekkige praktijk minder belangrijk vindt dan de gezonde theorie.

Op dit punt vervloeit mijn droom, als water in water. De uitgestrekte bibliotheek die mij omgeeft staat in de calle México, niet in de calle Rodríguez Peña, en u, Lugones, hebt uzelf begin ’38 gedood. Ik heb in mijn ijdelheid en weemoed een onmogelijke scène bedacht. Zo is het (zeg ik tegen mezelf), maar morgen ben ook ik dood en zullen onze tijden vervloeien en de chronologie zal opgaan in een wereld van symbolen, en het zal op de een of andere manier gerechtvaardigd zijn te beweren dat ik met dit boek bij u ben gekomen en dat u het hebt geaccepteerd.

J.L. B.

Buenos Aires, 9 augustus 1960

Vertaling: Barber van de Pol & Maarten Steenmeijer

Ga terug

Meer gedichten van 'Jorge Luis Borges' El Otro Tigre