El Otro Tigre

Jorge Luis Borges

And the craft that createth a semblance

Morris: Sigurd the Volsung, 1876

Pienso en un tigre. La penumbra exalta
la vasta Biblioteca laboriosa
y parece alejar los anaqueles;
fuerte, inocente, ensangrentado y nuevo,
el irá por su selva y su mañana
y marcará su rastro en la limosa
margen de un río cuyo nombre ignora
(en su mundo no hay nombres ni pasado
ni porvenir, solo un instante cierto).
Y salvará las bárbaras distancias
y husmeará en el trenzado laberinto
de los olores el olor del alba
y el olor deleitable del venado.
Entre las rayas del bambú descifro
sus rayas y presiento la osatura
bajo la piel espléndida que vibra.
En vano se interponen los convexos
mares y los desiertos del planeta;
desde esta casa de un remoto puerto
de América del Sur, te sigo y sueño,
oh tigre de las márgenes del Ganges.
Cunde la tarde en mi alma y reflexiono
que el tigre vocativo de mi verso
es un tigre de símbolos y sombras,
una serie de tropos literarios
y de memorias de la enciclopedia
y no el tigre fatal, la aciaga joya
que, bajo el sol o la diversa luna,
va cumpliendo en Sumatra o en Bengala
su rutina de amor, de ocio y de muerte.
Al tigre de los símbolos he opuesto
el verdadero, el de caliente sangre,
el que diezma la tribu de los búfalos
y hoy, 3 de agosto del 59,
alarga en la pradera una pausada
sombre, pero ya el hecho de nombrarlo
y de conjeturar su circunstancia
lo hace ficción del arte y no criatura
viviente de las que andan por la tierra.

Un tercer tigre buscaremos. Éste
será como los otros una forma
de mi sueño, un sistema de palabras
humanas y no el tigre vertebrado
que, más allá de las mitologías,
pisa la tierra. Bien lo sé, pero algo
me impone esta aventura indefinida,
ensensata y antigua, y persevero
en buscar por el tiempo de la tarde
el otro tigre, el que no está en el verso.

 

Vertaling

DE ANDERE TIJGER

And the craft that createth a semblance

Morris: Sigurd de Volsung (1876)

Ik denk aan een tijger. Het schemerlicht verheft
de weidse en ijverige Bibliotheek
en lijkt de kasten verder weg te plaatsen;
onschuldig, sterk, met bloed bedekt en nieuw
zal hij weer door zijn woud en ochtend gaan
en sporen drukken op de modderkant
van een rivier, die naamloos voor hem is
(zijn wereld kent geen namen, geen verleden
of toekomst, slechts een vaststaand ogenblik).
Barbaarse verten zal hij overbruggen
en in het warrig labyrint van geuren
de geur bespeuren van de vroege stond
of de verrukkelijke van het hert.
Ik raad te midden van de bamboestrepen
zijn strepen en vermoed het beenderstel
onder de glinsterende huid die trilt.
Al komen alle bolle zeeën van de wereld
en alle woestenijen tussenbeide,
ik volg je sporen en ik droom je hier,
in deze Zuid-Amerikaanse haven,
o tijger die de Gangesoever treedt.
De middag drenkt mijn ziel en ik bedenk
dat de aangesproken tijger van mijn vers
een schaduwtijger is, en zinnebeeld,
een vaste serie literaire beelden,
herinneringen aan een naslagwerk,
niet dat fatale sieraad, niet de tijger
die onder zon of wisselende maan
zijn sleur van liefde, ledigheid en dood
volvoert, daar, op Sumatra, in Bengalen.
Ik heb tegenover dat symbolisch dier
het ware, het warmbloedige geplaatst
dat huishoudt in de kudde van de buffels
en nu, op 3 augustus ’59,
een onderbroken schaduw werpt op het gras,
maar louter door het feit dat ik hem benoem
en naar zijn leven gis, verandert  hij
in kunst, en is hij niet een levend schepsel
onder de vele die op aarde gaan.

Wij zullen  naar een derde tijger zoeken.
Deze zal opnieuw een droomgestalte zijn,
een samenstel van woorden en niet meer
de tijger die met sterke ruggengraat,
los van de mythologische bedenksels,
op de aarde stapt. Ik weet het wel, maar iets
verplicht me tot dit onbestemde, dwaze,
dit aloude avontuur, en ik volhard
en breng mijn schemeruren door met zoeken
naar de andere tijger, die niet zit in het vers.

Vertaling: Barber van de Pol & Maarten Steenmeijer

Ga terug

Meer gedichten van 'Jorge Luis Borges' El Hacedor