Old Tillicum

Duane Niatum

for Francis Patsy, my grandfather

 

(Tillicum: the Chinook word for friend)

(Memp-ch-ton: the Klallam name for Mount Olympus, in the heart of the Klallam country)

 

A timber blue haze dissolves

on chokeberry leaves, thimbleberry, and the ants’

footprints at the beginning of the thicket.

Pebbles in the water leap before the salmon

in the current; the brush keeps us guessing

at the steps of the elk kicking dirt

on its run down the canyon.

The sky lifts my alder-smoked frame

like an unbroken impulse of the mountain,

Memp-ch-ton, to pause with goldenrod, willow,

and blue jay flying across the river of my people.

 

An old Klallam, I sit with my grandson

while from the fern distances the Elwha rushes

seaward. I watch for the voices

of the river to show him the currents to manhood,

strengthen his green awkwardness,

flush his cheek with spruce light,

and promise my brittle bones a few more moons.

 

First mountain to choose his ancestors,

mirrored in the rapids and the falling sun,

it dwarfs the white firs that once spread

the village fires like a family of sap en lichen.

Pitch-dry with age I am here

to see that my daughter’s son starts

the long journey back to the clearing of Old Patsy,

sings for me the story of when Old Patsy

pulled in a net swimming with herring,

the net that will pull him on like the tide.

As a boy once frightened of the surf’s

crack below the hemlock, pine, and cedar,

our evening walks by lantern to the circle

and home of Young and Lucy Patsy,

he now disappears beyond the edge

of the mountain’s sunset; a fox running shadows.

 

By the time the quail roost and the dusk

is mute on the ridge above the ravine,

I tell him of the legend of the seven brothers

that named the village long burned to ash,

how these ancestors danced into the fire

to forget. And like their totem to the Thunderbird,

the moon drifts full height into the next horizon,

returning it to its birth.

 

Perhaps asking us all to touch the earth

from this dawn to the next on through summer,

it looks as if his guardian spirit

is answering his chant to let him carry home

for good what the water drum has offered.

 

As his grandfather I rise too late

to return home with little crow. Instead, I hear

his fist jump through chance’s hoop.

Vertaling

Een blauwe waas zaaghout lost op

in het blad van appelbes, vingerhoedskruid en de

voetafdrukken van mieren aan de rand van het struikgewas.

Kiezels in het water springen voor de zalm uit

in de stroom; het kreupelhout laat ons raden

naar de elandenstappen die aarde opgooien

tijdens hun ren naar de canyon.

De hemel tilt mijn huid van zwarte elzenboom

in een ongebroken beweging van de berg

Memp-ch-ton, om stil te houden bij guldenroede, wilg

en blauwe meeuw die de rivier van mijn volk over vliegt.

 

Ik, oude Klallam, zit met mijn kleinzoon

terwijl uit de verten vol varens de Elwha naar zee

stroomt. Ik zie toe dat de stemmen van de rivier

hem de stromen naar de volwassenheid tonen,

zijn groene onhandigheid sterken,

zijn wangen kleuren met stralend licht,

en mijn breekbare botten nog een paar manen beloven.

 

Eerste berg om zijn voorouders te kiezen,

weerspiegeld in watervallen en ondergaande zon,

verkleint hij tot dwergen de witte dennen die ooit de

dorpsvuren verspreidden als een familie van sap en korstmos.

Gortdroog van ouderdom ben ik hier

om te zorgen dat de zoon van mijn dochter de lange

weg terug begint naar de open plek van Old Patsy,

voor mij het lied zingt van toen Old Patsy

een net binnentrok vol haring

het net dat hem zal voorttrekken als het getij.

Ooit een jongen die bang was van de krakende branding

onderaan bij dolle kervel, pijnboom en ceder,

onze avondwandelingen bij lantaarn naar de kring

en het huis van Young en Lucy Patsy,

verdwijnt hij nu over de rand

van de berg bij het ondergaan van de zon;

een vos die schaduwen na rent.

 

Tegen de tijd dat de kwartels gaan slapen en de schemering

stil wordt op de bergrug boven de kloof,

vertel ik hem de legende van de zeven broeders

die het lang tot as verbrande dorp zijn naam gaven,

hoe deze voorvaders dansten in het vuur

om te vergeten. En net als hun totem voor de Dondervogel,

vaart de maan op zijn volst naar de volgende einder,

terug naar zijn geboorte.

 

 

Misschien vraagt zijn beschermgeest ons allen, de aarde

de hele zomer aan te raken vanaf deze morgenstond

tot de volgende, en beantwoordt hij zijn gezang

om voorgoed mee naar huis te nemen

wat de watertrom heeft gegeven.

 

Als zijn grootvader sta ik te laat op

om met kleine kraai naar huis te gaan. In plaats daarvan

hoor ik zijn eerste sprong door de hoepel van het lot. 

Ga terug