Portrait - Portret

Duane Niatum

With eyes the color of dark-brown mushrooms,
peering from an oval cranium,
cheeks thin and Salish high,
sling-shot tucked away in back-pocket,
his mind runs for the road to the woods.
He decides to skip school to watch
a heron scan the shallows at Chimacum Creek,
center its return under its wing,
evade the eyes of any observer.

His hair, combed by the sun, is brushed black
by the ferns and wind. The mouth,
two parallel lines, curves upside down.
It has said the wrong thing at the wrong time,
but occasionally stays closed beneath the stars.
When confronted with America’s tourists,
he frowns, a Klallam with reservations,
then smiles when he tells of the night
he stole the sheriff’s crêpe-blue
station wagon with silver-sequined daughter
giggling beside him at the wheel.

Grandson to hawk and cedar, he drinks
with deer and dragonfly at the pool,
a slow dancer on the thundering ground.
Stopping to collect the scattered songs,
he grows in the shade of mountain ash,
sea swirls, fish, love and its illusions,
nature left, nature imagined.

Out of the dream this creature leaves
the field counting the steps across the water,
taking him deep into its turnings.

Vertaling

Met ogen als donkerbruine paddenstoelen,
Die turen uit een ovale schedel,
smal en Salisch hoog jukbeen,
katapult weggeborgen in kontzak,
rent zijn geest langs de weg naar de bossen.
Hij besluit te spijbelen om te zien hoe de reiger
het ondiepe water van de Chimacum Kreek afzoekt,
zijn vleugels verzamelt om zich om te keren,
de ogen van pottenkijkers te mijden.

Zijn haar, gekamd door de zon, is zwart geborsteld
door varens en wind. De mond,
twee evenwijdige lijnen, buigen omlaag.
Hij heeft iets verkeerds gezegd op een verkeerd moment,
maar soms, onder de sterren, houdt hij zijn mond.
Als hij Amerikaanse toeristen tegenkomt,
fronst hij, een Klallam die zich niet laat kennen,
maar glimlacht als hij vertelt van de nacht
waarop hij de sheriff’s lichtblauwe stationcar stal
met diens goudblonde dochter en al,
die naast hem aan het stuur zat te giechelen.

Kleinzoon van havik en ceder, drinkt hij
met herten en libellen bij de plas,
een trage danser op de dreunende aarde.
Nu en dan stoppend om de verspreide gezangen te rapen,
groeit hij in de schaduw van bergpuin, de maalstromen
van de zee, vissen, liefde en de illusies daarover,
natuur verlaten, natuur in zijn hart.

Buiten de droom verlaat deze jongen het veld
terwijl hij de stappen over het water telt,
dat hem diep in zijn wielingen meeneemt.

Ga terug